Klantenvertellen  Webwinkelkeur


2c44b26afbf5913772db9dea23063abe.jpg
Algemeen
Geplaatst op 3 mei 2016 om 09:48

Van Bos en Lommer naar Blauwgrond


Hedda Visser, Walewijn de Vaal en Quirijn (3) vertrokken voor een lange zeilreis vanuit Amsterdam naar Marokko en Suriname. Een verhaal over de voobereidingen, de spannende reis en de schoonheid van Bos en Lommer in het buitenland.

‘Maar wat nou, als er geen later is?’ zegt Hedda als we terugrijden van de vierde bruiloft in een jaar. Op onze leeftijd kopen vrienden huizen, trouwen en krijgen kinderen. Wij doen aardig mee; kochten onlangs een appartement in Amsterdam West. Geeft ze een hint? Moet ik haar nu ten huwelijk vragen? Voordat er-geen-later-is? Zweet breekt me uit. ‘Echt Walewijn, een goede bruiloft kost evenveel als een jaar zeilen’ gaat ze verder. ‘Waarom wachten tot ons pensioen? We moeten nu die wereldreis maken.’ De schat.

Kan dat dan zo maar? Nee. Althans, in ons geval niet. Het kost ons nog acht jaar om voldoende geld te sparen. We begroten 115.000 euro voor boot en uitrusting en 25.000 euro voor een jaar zeilen. We rantsoeneren. Geen skivakanties meer, mijn oude Saab eruit, einde vliegvakanties. Een low-budget studentenleven maar dan double income no kids. Iedere loonsverhoging vertalen we in een hoger spaarbedrag. Zo wennen we niet aan een hoger uitgavenpatroon en loopt ons spaarsaldo steeds sneller op. We merken dat sparen makkelijk is als je een specifiek doel hebt.

Na verkoop van onze woning organiseren we een afscheidsborrel voor straatgenoten. Buurman Theo klopt op mijn schouder. ‘Goed initatief man, moeten we vaker doen’. Velen schudden elkaar voor het eerst de hand. Plannen voor een volgende huisborrel ontstaan, maar dan eentje zonder ons. ‘Niet Marokko overslaan he?’ fluistert Hassan bij zijn vertrek. Ons vaarplan is een zogenaamd ‘Rondje Atlantic’. Via Frankrijk, Spanje en Portugal naar de Canarische Eilanden en vervolgens de Atlantische Oceaan over naar de Carieb, met eilanden als Grenada, Martinique en Sint Lucia. Daarna via de Azoren terug naar Europa. Wij zijn echter nieuwsgierig naar landen waar Amsterdamse collega’s, vrienden en buren hun hart hebben liggen en voegen Marokko en Suriname aan onze lijst toe.

Hartje zomer varen we met onze Trintella 38 Antares het Noordzeekanaal af. Quirijn – we hebben inmiddels een driejarig zoontje – schuilt voor de regen. Het is koud en grijs. Rookpluimen uit de IJmuidense hoogovens verwaaien in harde windvlagen. Drie weken worstelen we tegen wind en golven in langs Belgie en Frankrijk. Dan verbeteren de omstandigheden en zeilen we de Golf van Biskaje op. Overdag reist de zon mee en ’s nachts de sterren. Terwijl de herfst Nederland binnentreedt, varen wij verder zuidwaarts en vertrekken vanuit de Algarve naar Marokko.

Vier etmalen later bereiken we de mondaine jachthaven van Agadir en bezoeken per huurauto het binnenland. In Marrakech logeren we in een typisch Marokkaans stadshuis met blinde buitenmuren en een gezellige binnenplaats waar alle vertrekken op uitkomen. Deze ‘Riads’ vormen een heerlijk rustpunt als tegenhanger van de hectiek op straat. ‘Dit is toch net een sprookje’ zegt Hedda als we ’s ochtends ontwaken bij de oproep voor het ochtendgebed uit omringende moskeëen.

Met een weemoedig gevoel lunchen we op het Jeema El Fna plein. De geluiden, geuren en kleuren doen denken aan het Bos en Lommerplein in Amsterdam. Hedda mist ‘onze’ Marokkaanse bakker op de Hoofdweg. ‘Doe mij maar de Mercatorplein bakkerij’. Verbaasd kijk ik opzij. Mohammed ‘zeg maar Mo’ woonde jaren in De Baarsjes maar verhuisde vorig jaar naar Rabat. Gezamelijk halen we mooie herinneringen op aan ‘BoLo en Baarsjes’. Ook Mo bezoekt voor het eerst Marrakech. Hij prijst de Moorse paleizen Dar Si Said en De La Bahia; je ziet er de rijkdom van de vroegere vorsten. Wij raden Jardin Majorelle aan, net buiten de Medina. Een kleurrijk huis met fraaie tuin, ooit bezit van Yves Saint Laurent.

Na ons vertrek uit Agadir verdwijnt het sprookjesland rap in het kielzog van Antares. ‘Dag mooi mysterieus Marokko’ wuiven we. ‘Hopelijk tot weerziens’. We koersen naar de Canarische Eilanden waar we ons voorbereiden op de Atlantische Oceaan; ruim 2500 mijl (4000 kilometer) scheidt ons van Suriname. Drie weken nonstop varen waarbij we volledig op onszelf zijn aangewezen.

Het wachten duurt lang. En de drempel om los te gooien wordt steeds hoger. We willen naar Suriname, maar durven we wel? Het voelt als toen we twaalf jaar oud waren en op het randje van de hoogste springplank van het zwembad stonden. Je hart maakt overuren, je durft nauwelijks naar de onmetelijke diepte te kijken. Dat gevoel, boven op die springplank. Zo voelt een oceaanoversteek. Maar dan niet tien seconden. Nee, dit gevoel blijft gedurende de hele reis. Je bent pas veilig als je aan de overkant bent.

Het zal misschien vreemd klinken, maar het is mij een raadsel wat mensen bezielt om de oceaan over te willen zeilen. Wij beschouwen het als noodzakelijk kwaad om een nieuw mooi vaargebied te bereiken. Een paar weken op onze tanden bijten hebben we daar wel voor over. En ja, dan de euforie van de aankomst. Dat gevoel is zo groots. Zoals toen je het zwembadtrapje opklom na die sprong van de hoogste; de bewonderende blikken van de meisjes op de zwembadrand oogstend.

Die meisjes staan er niet als wij na drie weken Suriname naderen. Maar de euforie is waanzinnig. ‘Land in zicht’ roept Quirijn. We zien Braamspunt, het begin van de Surinamerivier. Door het bruine rivierwater passeren we Fort Nieuw Amsterdam. ‘Welkom in Suriname!’ zwaait een visser. We zwaaien uitbundig terug. Dan verschijnt Paramaribo. ‘Dit is zo cool!’ roep ik. ‘Na alle voorbereidingsjaren, na alle verhalen van Surinaamse collega’s, we zijn er!’ Het Toraricahotel, Fort Zeelandia, het Onafhankelijkheidsplein. Waterkant, met alle Parbo-bier vlaggen. We varen onder de Wijdenboschbrug door, wat voelt als de finishboog na een marathon.

Suriname voelt direct vertrouwt. ‘Gaat u wandelen?’ vraagt de pompbediende terwijl ze de brandstoftank van onze oude huurauto vult. Wandelen doe je in Suriname niet met je voeten, maar met de auto. Er zijn meer leuke woorden. Een boomkip is een leguaan, een waterkip een kaaiman. Zinnen eindigen steevast met ‘dus dat’. Een boembus is een personenbusje met harde muziek. Nederlands is de officiele taal, maar veel mensen spreken Sranan Tongo. Een blanke Nederlander heet dan bakra... en dat ben ik met mijn blonde haren. Hedda heeft Indonesisch bloed in haar familie en herkent in de Surinaamse Javanen veel. Regelmatig hoort ze ‘jij bent zeker een blaka-bakra’; een Surinaamse Nederlander. Dus dat.

We ‘wandelen’ over straten met Amsterdamse namen. De Heiligenweg, Jodenbreestraat, we voegen in onze oude Toyota geheel volgens de heersende rijstijl met opgestoken duim in op de Keizerstraat. Quirijn kent alle schaafijs verkopers in Paramaribo. We zwemmen in de Colakreek en eten bami-kip bij de beste warung (Javaans eethuisje) – waar uiteraard alleen locals komen.

Na twee maanden nadert onze vertrekdatum. We eten bij de legendarische warungs op Blauwgrond in Paramaribo Noord. ‘Ik verlang wel naar de Carieb. Blauw water, witte stranden’ zegt Hedda tegen bevriende zeilers. Ook zij verlangen naar de Carieb. Ik ben stil. ‘En jij Walewijn?’ Het gesprek richt zich op mij. ‘Uhm...tja’ aarzel ik. ‘Ik heb nu al heimwee naar Suriname’. Vertrekken hoort nou eenmaal bij een zeilreis, dat weet ik ook wel. ‘Ik wil nog wel eens terug naar Suriname... later’. Dan verzink ik weer in mijn eigen gedachten. ‘Maar wat nou...’ knaagt een stemmetje in mijn hoofd ‘...als er helemaal geen later is?’

Meer in ons nieuws